home
gebouwenleven en cultuurgeschiedenis
Sarphatistraat

Joodse Raad
De geschiedenis oordeelt niet makkelijk over de Joodse Raad. Na de oorlog werd gesproken over collaboreren (samenwerken met de vijand) en "laakbaar" gedrag. Laakbaar betekent dat je dit kan afkeuren. Maar het is ook moeilijk om over deze mensen te oordelen. Ze zaten gevangen in een slim systeem, waarbij de bezetter de suggestie wekte dat ze iets konden betekenen, dat ze mensen konden redden en dat ze door smeken en pleiten dingen konden veranderen. Tegelijk werd stap na stap de maatregelen tegen de Joden opgevoerd waardoor ze iedere keer weer binnen de veranderende situaties konden proberen nog wat te betekenen.
In alle bezette landen en steden in Europa hadden de Duitsers een Joodse Raad ingesteld en de werkwijze liep parallel. De Amsterdamse Joodse Raad heeft weinig verzet gepleegd, alhoewel ze op een bepaald moment wel 17.000 (!) medewerkers hadden die van deportatie waren uitgesloten. Maar wanneer ze verzet hadden gepleegd was de keus die ze maakten ook een keus tegen hun eigen leven geweest. Ze zagen zichzelf ook als een buffer tussen de Joden en de Duitse bezetters, wanneer die buffer zou wegvallen kon er niemand meer voor de Joodse belangen opkomen. De verdeel- en heerspolitiek van de Duitsers was uitermate goed georganiseerd.

Sarphatistraat 47
Dit was voor de oorlog de Amsterdamse Bank. In de oorlog maakte de bezetter er een namaak-filiaal van van de bank Lippman-Rosenthal, die een heel goede naam had onder de Joodse bevolking. Dat betekent dat deze bank te vertrouwen was. Hier moesten alle Joodse gelden en effecten worden ondergebracht in augustus 1941 en alles van waarde van gedeporteerde Joden werd hier ook gedeponeerd.
De Joodse scholen die door de Duitsers werden ingesteld werden vanuit deze bank betaald, alsmede de Joodse Raad, Doorgangskamp Westerbork, Kamp Vught en de premie die men kreeg voor het verraden van ondergedoken Joden. Deze bank beheerde aan het eind van de oorlog ca. fl 400.000.000,-- Joods vermogen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Joodse Raad, najaar 1942